Een cumulatieve case voor de Drie-eenheid

Deel I: de Tenach

Het Wezen van God is één van de onderwerpen waarover door de eeuwen heen het meest gespeculeerd is. In alle grote wereldreligies is er een bepaalde mening over het Wezen van de Almachtige. Deze meningen zijn allemaal gebaseerd op de openbaringen die God aan de profeten heeft gegeven. Voor het Jodendom is dat de Tenach, dat meer bekend is als het Oude Testament en voor de volgelingen van de Messias is het zowel de Tenach als het Nieuwe Testament, ook wel het Evangelie genoemd. Voor de Moslims is het de Koran. Echter, in de Koran wordt door de auteur beweerd dat hij voortborduurt op de vorige Geschriften, de Tenach en het Evangelie. Wij kunnen daarom de Koran laten voor wat het is en kijken naar wat de voorlopers van de Koran hebben gezegd: Het Nieuwe Testament en de Tenach. Echter, Messiaansen geloven in de complexe eenheid van God, in tegenstelling tot de Moslims, die Unitariërs zijn.

Omdat Messiaansen zich vooral beroepen op het Nieuwe Testament voor hun leer van die complexe eenheid van God – die ik met de beladen term Drie-Eenheid zal aanduiden – en het Nieuwe Testament zich weer beroept op de Tenach, moeten we kijken wat de Tenach zegt over het Wezen van God. Het hedendaagse Jodendom, dat zich alleen beroept op de Tenach, gelooft echter ook niet in de Drie-Eenheid, maar is Unitarisch. Aangezien de Tenach, als eerste werd geopenbaard, is dat de basis voor alle opvolgende openbaringen. Als die latere openbaringen niet conform de Tenach zijn dan moeten die verworpen worden als ware boodschappen van God. Voordat we gaan kijken naar wat de Tenach zegt over het Wezen van God zullen we eerst verduidelijking scheppen over waar het erom gaat wanneer wij over het Wezen van God praten. Daarbij is het handig om wat achtergrond informatie te geven aangaande een aantal belangrijke begrippen.

Unitariërs vs Trinitariers

Wanneer wij het over het Wezen van God hebben, zijn er tussen de drie grote religies twee posities die worden aangenomen: Aan de ene kant zijn er Unitariërs en aan de andere kant zijn er Trinitariërs.

Unitariërs geloven dat er EEN God is en dat die God een absolute Eenheid is, ondeelbaar in zijn Wezen, bestaand uit één “Persoon”.  Unitariërs geloven ook niet dat God in menselijke gedaante aan de mens kan verschijnen. In het Jodendom is deze God de Vader van het volk Israël. De Islam kent echter geen concept van Allah als Vader. Moslims zijn slechts slaven van Allah, maar ze geloven wel dat het dezelfde God is als die van het Jodendom, de Schepper van hemel en aarde.

Aan de andere kant geloven de Trinitariërs ook dat er EEN God is, maar dat die God een samengestelde Eenheid is, bestaande uit drie Entiteiten, ofwel Personen, die  in het Nieuwe Testament worden geopenbaard als de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Deze drie Entiteiten of Personen vormen het Wezen van de Ene God, de Schepper van hemel en aarde. Trinitariërs geloven wél dat God in menselijke gedaante aan de mens kan verschijnen. Sterker nog, zij wijzen naar Jezus als het bewijs hiervoor. De Drie-Eenheid is dus niet het geloof in drie goden (Tri-theïsme) of het geloof dat God één Persoon is Die Zich in drie verschillende gedaantes openbaart (Modalisme). De Vader is niet de Zoon, de Zoon is niet de Geest en de Geest is niet de Vader.

Er is dus een wezenlijk verschil (kleine woordspeling!) in het beeld dat beide kampen van God hebben. De vraag is daarom: Welke basis hebben deze zienswijzen in de Geschriften? Die vraag  kunnen we alleen beantwoorden door te beginnen met het kijken in het Oude Testament, de oudste bron over God waar alle drie de grote religies zich op beroepen als gezaghebbend.

De Tenach – Het Oude Testament

Dan nog kort iets over het Oude Testament: Het oude Testament wordt zoals gezegd in het Hebreeuws de Tenach genoemd. Hebreeuws is de originele taal van de Tenach. Tenach is een acroniem, een afkorting, gebaseerd op drie woorden van welke de beginletters het woordje Tenach vormen:

De T staat voor Thora, dat lering of onderwijzing betekent. Dat is het eerste gedeelte van de Tenach bestaande uit de eerste 5 boeken van de Bijbel.

De N staat voor N’vi’im  dat betekent profeten en is het tweede gedeelte van de Tenach. Dit gedeelte bestaat uit de profeten die schreven in Israël.

De CH staat voor K’tuvim, dat geschriften betekent en is het laatste gedeelte van de Tenach. Dit zijn de meer geschiedkundige en poëtische boeken.

Wij gaan vooral in de Thora kijken, dat de basis voor alle andere gedeeltes vormt. Wat zegt de Thora over het Wezen van God? Dat zullen we in de komende gedeelte van deze studie zien.

De Naam van God en het woord Elohiem.

In de Bijbel wordt de God van Israël op twee manieren aangeduid. Hij wordt ten eerste Elohiem genoemd en wordt daarnaast ook bij zijn persoonlijke Naam genoemd: YHWH. Hoe deze naam precies wordt uitgesproken is niet met zekerheid te zeggen, maar de meest gangbare uitspraak is Yahweh. Een andere veelgebruikte variant is de naam Yahowah. De Naam wordt door Joden niet uitgesproken omdat Deze hen te heilig wordt geacht voor normaal gebruik. In plaats van de Naam Yahweh/Yahowah uit te spreken gebruiken ze het woord Adonai, dat Heer betekent, of HaShem, dat De Naam betekent. Deze persoonlijke Naam behoort alleen de God van Israël toe en alleen Hij wordt ermee geïdentificeerd.

Dat is anders bij het woord Elohiem. Dit woord is niet alleen het algemene woord voor “god”, maar kan ook een machtig mens aanduiden en wordt ook gebruikt voor engelen. Zo wordt bijvoorbeeld van Mozes in Exodus 7:1 gezegd dat God hem als elohiem zal maken en dat Aaron zijn profeet zal zijn. Er is niemand die echter zal zeggen dat Mozes de God van Israël zou zijn. Hiermee zegt God slechts dat Mozes, als vertegenwoordiger van God, boven farao zou staan en farao, als vertegenwoordiger van de goden van Egypte, machteloos tegenover Mozes zou zijn, zoals God boven de goden van Egypte stond en zij machteloos zouden zijn tegenover God. Het Exodus verhaal is niet slechts een verhaal over de verlossing en uittocht van Israël uit Egypte, maar ook het verhaal van het oordeel van God over de goden van Egypte (Exo. 12:12). Het woord Elohim kan dus vele betekenissen hebben en de context bepaalt of het over de God van Israël gaat of over een afgod (Micha 4:5, 1 Kon 11:5, 33, Daniel 1:2, 2 Kron. 32:21) of over een machtig mens of een engel. Dit is heel belangrijk om te onthouden bij de passages die wij gaan bekijken.

Het Sholeach-Shaliach principe – De wet van vertegenwoordiging

Er is een begrip in de Bijbel dat veelvuldig wordt toegepast. Namelijk, de vertegenwoordigingswet . Deze wet wil zeggen dat de shaliach (degene die gezonden wordt) in de naam spreekt van (en dus de autoriteit draagt van) de sholeach (de zender). Dat wil zeggen dat wanneer God een profeet of een engel met een boodschap stuurt, dat de profeet of engel spreekt met de autoriteit van God en dus Gods spreekbuis is. Als iemand dan niet doet wat de profeet of engel zegt, is hij eigenlijk God ongehoorzaam. Ook dit begrip is heel belangrijk om te onthouden.

Wat we ook moeten onthouden is dat dit begrip serieuze beperkingen heeft en niet altijd opgaat. Ik leg twee scenario’s voor ter illustratie, eentje waar de wet van vertegenwoordiging naadloos aansluit en eentje waar het met geen mogelijkheid werkt.

Scenario 1:

Je stuurt jouw vriend om je verloofde te vertellen dat zij ergens heen moet voor een grote verrassing. Zij komt vervolgens niet opdagen. Zij heeft dan niet slechts de instructies van jouw vriend niet opgevolgd, maar zij heeft jouw instructies niet opgevolgd. Hier werkt de wet van vertegenwoordiging precies zoals het hoort te werken.

Scenario 2:

Jij stuurt jouw vriend om je verloofde te vertellen dat ze je ergens moet ontmoeten zodat jullie elkaar kunnen zien. Zij zegt vervolgens tegen jouw vriend: “Waarom zou ik naar die plek gaan om mijn verloofde te ontmoeten? Jij vertegenwoordigt hem toch? Dus ik heb hem al ontmoet nu ik bij jou ben. Zeg het maar, schat.” En vervolgens valt zij in zijn armen en zoent hem vol op de lippen.

Het is duidelijk dat dit laatste voorbeeld niet de bedoeling is van de wet van vertegenwoordiging. De wet van vertegenwoordiging heeft dus alleen betrekking op de overdracht van een boodschap of het dragen van autoriteit. Het werkt niet wanneer het gaat om verschijningen of aanwezigheid. Met andere woorden: Het is bij de wet der vertegenwoordiging geoorloofd om de zendeling te gehoorzamen alsof hij de zender is, maar het is niet geoorloofd de zendeling te behandelen alsof hij de zender is.

Adonai ECHAD = YHWH is EEN

In de Thora, in het Boek Deuteronomium, hoofdstuk 6 vers 4 lezen wij de Sh’ma, de Joodse geloofsbelijdenis:

Luister, Israël: YHWH, onze God, YHWH is EEN.

Sh’ma Yisrael, Adonai Eloheinoe Adonai echad

Deze tekst wordt binnen het Jodendom iedere dag beleden. YHWH is EEN en Hij is de enige. Hier wordt de Trinitariër dan ook vaak mee geconfronteerd door de Unitariër als argument tegen de Drie-Eenheid. Deze tekst zegt echter niets over de vraag of God een absolute eenheid is of dat God een samengestelde eenheid is. Het zegt gewoon dat YHWH EEN is en dat is ook exact wat het Hebreeuwse woord ECHAD betekent. Deze tekst helpt ons ook niets verder in ons zoektocht naar de ware aard van Gods Wezen. Waarmee onderscheidt God zich dan wel? In Exodus 33 lezen we hoe Mozes God verzocht om Zijn glorie aan hem te tonen. God antwoordt als volgt:

Hij antwoordde: ‘Ik zal in mijn volle luister voor je langs gaan en in jouw bijzijn de naam van de HEER uitroepen: ik schenk genade aan wie ik genade wil schenken, en ik ben barmhartig voor wie ik barmhartig wil zijn. Maar,’ zei hij, ‘mijn gezicht zul je niet kunnen zien, want geen mens kan mij zien en in leven blijven.

Exodus 33 zegt ons dus dat de God van Israël als een kenmerk heeft dat Hem onderscheidt van alle andere goden, namelijk dat niemand Hem zal zien en leven, buiten Zijn genade om. Dit is alleen bij de God van Israël het geval.

Dus op basis van wat wij tot nu toe hebben behandeld, kunnen wij de volgende conclusies trekken:

  1. Israël heeft maar 1 God en het is de Israëliet slechts toegestaan om alleen YHWH als God te erkennen en te belijden.
  2. De naam YHWH is de persoonlijke naam van de God van Israël die hij alleen draagt en met welke hij alleen geïdentificeerd wordt.
  3. De God van Israël is de enige bij wie men voor zijn leven vreest wanneer men hem ziet. Men vreest alleen te sterven bij het zien van de God van Israël, geen ander wezen heeft dit effect op Bijbelse figuren.
  4. De wet van vertegenwoordiging heeft een beperkte werking die alleen geldt bij het overdragen van autoriteit of boodschap, maar niet bij verschijningen en aanwezigheid.

Nu de nodige achtergrondinformatie is behandeld, zullen we nu een duikje nemen in de Bijbel en een aantal passages bekijken om te zien of die het best te verklaren zijn vanuit het perspectief van de Unitariër of de Trinitariër.

Open kaart

Ik zal maar meteen met de deur in huis vallen zodat er geen misverstand bestaat over waar ik sta. Dit essay is gemaakt door een Trinitariër. Ja, ik geloof in de Drie-eenheid, hoe beladen dat woord ook is. Het is in mijn optiek de term die het beste het concept van God omschrijft zoals geopenbaard in de Bijbel. Ik geloof het niet omdat dit mij is aangeleerd, of omdat ik ermee ben opgegroeid. Ik ben 21 jaar atheïst geweest voordat ik tot geloof kwam, dus dat gaat niet op. Ik accepteer het omdat de Bijbel mij geen andere keuze laat. De Bijbel is een monotheïstisch boek dat EEN God proclameert. Bij EEN God denkt men onmiddellijk aan Unitarisme en dat is heel begrijpelijk. Maar dit essay heet niet voor niets ‘een cumulatief argument voor de Drie-Eenheid’. Zoals ik al zei, dwingt de Bijbel mij dit standpunt in te nemen, omdat er teksten in de Bijbel staan die gewoonweg niet te verklaren zijn in een Unitarische context. Sommige van deze teksten zijn op zichzelf misschien niet helemaal overtuigend Trinitarisch – anderen echter weer wel – maar cumulatief gezien wijzen zij overtuigend weg van het Unitarische concept en sterk in de richting van het Trinitarische concept van God. Dus laten we beginnen met het bekijken en behandelen van de teksten die het Trinitarisch argument kracht bijzetten.

Genesis 1:26-27

In Genesis 1 wordt het scheppingsverhaal verteld. Per dag beschrijft Mozes hoe God de schepping vorm geeft. Op de zesde dag schept God de mens, waarbij Hij zegt:

God zei: ‘Laten Wij mensen maken die Ons evenbeeld zijn, die op Ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.’ God schiep de mens als Zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep Hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. (Gen 1:26-27)

In het scheppingsverhaal creëert God de mens en refereert Hij naar zichzelf in het meervoud:

נַעֲשֶׂה אָדָם בְּצַלְמֵנוּ כִּדְמוּתֵנוּ

Waarom zou God naar zichzelf refereren in de meervoudsvorm? Er staat toch echt in de tekst “Laten WIJ mensen maken naar ONS evenbeeld, die op ONS lijken.” De aansporing “na’asa adam” (laat Ons mensen maken) is een actieve vorm, dus hier wordt aangespoord om actief mee te doen aan de creatie van de mens, naar het beeld van degenen die actief deelnemen aan de creatie van de mens. Critici denken de oplossing te hebben in de “pluralis majestis”, die vorsten ook vaak gebruiken wanneer zij over zichzelf en namens hun gehele hof spreken. Zo zou God ook spreken voor de heerscharen in de hemel middels de pluralis majestis. Een probleem is dat deze pluralis majestis een post-Bijbels gebruik is. Dat wil zeggen dat het eerste gebruik dat we uit historische bronnen kennen uit de vierde eeuwse Byzantijnse periode komen. De Bijbel kent geen pluralis majestis en dit is dan ook nergens in de gehele Tenach te vinden, ook niet in Genesis 1:26-27. Dus de vraag blijft: Wat is de reden dat God hier in het meervoud spreekt?

Daarnaast zegt God dat Hij alleen verantwoordelijk is voor de schepping, hij alleen heeft alles tot bestaan geroepen (Jesaja 44:24) en de mens is gemaakt naar zijn evenbeeld. De mens is niet gemaakt naar het evenbeeld van God en de engelen of serafiem (Gen 5:1-2; Gen 9:6). Dus dat God het hier tegen zijn hof heeft, is uitgesloten.

Genesis 16

7 De Engel van YHWH trof haar in de woestijn aan bij een waterbron, de bron die aan de weg naar Sur ligt. 8 ‘Hagar, slavin van Sarai, waar kom je vandaan en waar ga je heen?’ vroeg hij. ‘Ik ben gevlucht voor Sarai, mijn meesteres,’ antwoordde ze. 9 ‘Ga naar je meesteres terug,’ zei de Engel van YHWH, ‘en wees haar weer gehoorzaam.’ 10 En hij vervolgde: ‘Ik zal je heel veel nakomelingen geven, zo veel dat ze niet te tellen zullen zijn. 11 Je bent nu zwanger en je zult een zoon ter wereld brengen. Die moet je Ismaël noemen, want YHWH heeft gehoord hoe zwaar je het te verduren had. 12 Een wilde ezel van een mens zal hij zijn: hij schopt iedereen, iedereen schopt hem. Met al zijn verwanten zal hij in onmin leven.’ 13 Toen riep zij YHWH, die tot haar had gesproken, zo aan: ‘U bent een God van het zien [El-Ro’i]. Want,’ zei ze, ‘heb ik hier niet hem gezien die naar mij heeft omgezien?’

Hagar komt hier iemand tegen die in eerste instantie wordt geïdentificeerd als de Engel van YHWH, die haar zegt: “Ik zal je heel veel nakomelingen geven”. Unitariërs weten deze woorden te scharen onder de “wet der agentschap”, wat een legitieme uitleg van deze tekst zou zijn als men vers 13 negeert. In vers 13 zijn het niet zozeer de woorden van Hagar die opzien baren, maar de woorden van de auteur van deze gebeurtenis: Mozes. Voordat de woorden van Hagar aan ons worden doorgespeeld, zegt Mozes ons met wie Hagar sprak. Dat doet hij met de woorden: “Toen riep zij YHWH, die tot haar had gesproken”. Om hieraan de wet van agentschap te hangen zou nogal vergezocht zijn, door te stellen dat YHWH “door” de Engel sprak, dus als een soort van telefoon. Maar ook die vlieger gaat niet op, omdat Hagar die deur dichtgooit met de woorden “U bent El-Ro’i [een God van het zien], want heb ik hier niet hem gezien die naar mij heeft omgezien?” Hier worden de woorden van Hagar en Mozes dus met elkaar verbonden door de verschijning van degene die tot haar sprak te koppelen aan YHWH die tot haar sprak en zegt de tekst dus dat YHWH die tot haar sprak identiek is aan degene die zij gezien heeft. YHWH die tot haar gesproken heeft is dus de God van zien, die zij gezien heeft en die naar haar heeft omgezien. En hiermee is de Engel van YHWH dus identiek aan YHWH, El- Ro’i, de God van het zien, die naar haar omziet.

Genesis 18

1 Daarna verscheen YHWH aan hem bij de eiken van Mamre, toen hij in de ingang van de tent zat en de dag heet werd. 2 Hij sloeg zijn ogen op, en keek, en zie, er stonden drie mannen voor hem. Toen hij hen zag, liep hij hun snel uit de ingang van de tent tegemoet en boog zich ter aarde. 3 En hij zei: Mijn heer, als ik nu genade gevonden heb in uw ogen, ga dan uw dienaar toch niet voorbij. 4 Laat er toch wat water gebracht worden; was dan uw voeten, en rust wat uit onder de boom. 5 Dan zal ik een stuk brood halen, zodat u op krachten kunt komen; daarna kunt u verdergaan. Daarom bent u immers bij uw dienaar langsgekomen. En zij zeiden: Doe zoals u gesproken hebt

16 Toen stonden de mannen vandaar op en keken in de richting van Sodom; en Abraham ging met hen mee om hen uitgeleide te doen…

22 Toen keerden die mannen vandaar om en gingen naar Sodom, maar Abraham bleef nog staan voor het aangezicht van YHWH…

32 Verder zei hij: Laat YHWH toch niet in toorn ontbranden, omdat ik nog eenmaal spreek: Misschien zullen er tien gevonden worden. En Hij zei: Ik zal haar niet te gronde richten omwille van die tien. 33 Toen ging YHWH weg, nadat Hij geëindigd had met Abraham te spreken, en Abraham keerde terug naar zijn woonplaats.

Genesis 19

1 De twee engelen kwamen ‘s avonds in Sodom aan, terwijl Lot in de poort van Sodom zat. Toen Lot hen zag, stond hij op om hun tegemoet te gaan, en boog hij zich met zijn gezicht ter aarde.

Wij zien hier dus dat Abraham bezoek krijgt van drie mannen. Hij spreekt één van de mannen aan en noemt die persoon Adonai. Dit woord, Adonai, is de meervoudsvorm van de enkelvoudsvorm adoni en wordt alleen op de God van Israël toegepast wanneer het betrekking heeft op een enkeling. Dit is dus een zo’n geval: vers 3 is namelijk geheel in het enkelvoud: “3 En hij zei: Mijn heer, [Adonai] als ik nu genade gevonden heb in uw ogen [eineicha], ga dan [ta’avor] uw dienaar [av’decha] toch niet voorbij.”

Ditzelfde woord “adonai” wordt namelijk ook gebruikt in Genesis 19:2 waar Lot de engelen aanspreekt met “adonai” en ze beiden aanspreekt, niet slechts een van de twee. De vertaling is dan ook juist in de Herziene Staten Vertaling: “mijne heren”. En, teruggaand naar hoofdstuk 18, gaat het vervolgens vanaf vers 4 verder in het meervoud door te stellen dat zij rusten en hun voeten wassen en te blijven eten. Nadat Abraham het nieuws ontvangen heeft van de geboorte van Izaak, dat een jaar later zou plaatsvinden, geleidt hij de mannen uit om verder op hun weg te gaan. Er staat dan dat de mannen naar Sodom vertrokken, “maar Abraham bleef nog staan voor het aangezicht van YHWH”. Laat dat even inzinken. Abraham pleit dan voor Sodom en Gomorra en wanneer hij klaar is met onderhandelen, staat er in het laatste vers van hoofdstuk 18: “Toen ging YHWH weg…”. Let wel: er staat niet “en YHWH voer op” of iets dergelijks, zoals dat bijvoorbeeld bij Jacob wordt gezegd in Genesis 35:13 (waya’al me’alaaw Elohim – en God voer op bij hem vandaan). Er staat “wayelech” [van het woord “halach”, wat gaan, lopen of verplaatsen betekent] als iemand die zijn weg te voet vervolgt, hetzelfde woord dat in vers 22 wordt gebruikt van de 2 engelen die te voet naar Sodom gingen [wayel’choe]. Dus drie mannen kwamen bij Abraham, 1 wordt aangesproken als YHWH, de hele tekst wordt hij geïdentificeerd als YHWH, de mannen gaan naar Sodom en Abraham blijft voor YHWH staan. Wanneer Abraham dan klaar is te spreken met YHWH gaat YHWH weg en Abraham terug naar zijn woonplaats. En in de volgende vers wordt er gesproken over “de twee engelen” die ’s avonds aankomen in Sodom. Waar is de derde persoon? Dat was YHWH, die voor Abraham stond. Maar daar houdt het niet op. Wanneer de engelen genoeg gezien hadden en Lot en zijn gezin de stad uit hadden geleid, wordt er verderop in hoofdstuk 19 gezegd:

 

23 De zon kwam op boven de aarde, toen Lot in Zoar aankwam. 24 Toen liet YHWH zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen van YHWH uit de hemel.

De prominente joodse rabbijn Rashi stelt dat dit soort taalgebruik, het spreken in de derde persoon, wel vaker voorkomt om zo de illusie weg te nemen dat er hier sprake zou zijn van meerdere personen die als YHWH worden geïdentificeerd. Hij draagt aan als voorbeeld de passages zoals Genesis 4:23, waar Lamech spreekt over “vrouwen van Lamech” in plaats van “mijn vrouwen” en 1 Koningen 1:33 waar David spreekt over “knechten van jullie heer” in plaats van “mijn knechten”. Rashi had slechts naar Genesis 18:19 hoeven te wijzen waar soortgelijke taal wordt gebruikt en waar God over zichzelf spreekt in de derde persoon. Maar Genesis 19:24 is toch anders dan die passages. Uit de context weten wij dat een van de mannen als YHWH geïdentificeerd werd en op aarde was. Als de Bijbel ons dan zegt dat YHWH op aarde was en met Abraham sprak en vervolgens spreekt over dat vanuit YHWH uit de hemel zwavel en vuur neerregent, dan hebben wij geen scenario zoals Lamech, David en de andere voorbeelden die mensen zoals Rashi aandragen. Er is hier sprake van twee entiteiten die beiden YHWH worden genoemd. Eén in de hemel en de ander op aarde.

Genesis 32

22 Diezelfde nacht stond hij op, nam zijn twee vrouwen, zijn twee slavinnen en zijn elf kinderen, en stak de doorwaadbare plaats van de Jabbok over. 23 Hij nam hen mee en liet hen de beek oversteken. Alles wat hij had, liet hij oversteken. 24 Maar Jakob bleef alleen achter, en een Man worstelde met hem, totdat de dageraad aanbrak. 25 En toen de Man zag dat Hij hem niet kon overwinnen, raakte Hij zijn heupgewricht aan, zodat het heupgewricht van Jakob ontwricht raakte toen Hij met hem worstelde. 26 En Hij zei: Laat Mij gaan, want de dageraad is aangebroken. Maar hij zei: Ik zal U niet laten gaan, tenzij U mij zegent. 27 En Hij zei tegen hem: Wat is uw naam? En hij antwoordde: Jakob. 28 Toen zei Hij: Uw naam zal voortaan niet meer Jakob luiden, maar Israël, want u hebt met God en met mensen gestreden, en hebt overwonnen. 29 Jakob vroeg daarop: Vertel mij toch Uw Naam. En Hij zei: Waarom vraagt u naar Mijn Naam? En Hij zegende hem daar. 30 En Jakob gaf die plaats de naam Pniël. Want, zei hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn leven is gered.

Als je deze tekst zo leest, behoeft deze tekst eigenlijk geen verdere uitleg. Jacob blijft alleen achter, worstelt met “een man”, die man verandert Jacob zijn naam naar Israël en geeft een duidelijke reden waarom hij dat doet: Zijn naam wordt veranderd naar “Strijder met God” omdat hij met God en mensen gestreden heeft en heeft overwonnen. Jacob geeft die plaats vervolgens de naam Pni’el en ook hier weer om een specifieke reden: Jacob zegt God van aangezicht tot aangezicht te hebben gezien. Dit is letterlijk wat de Hebreeuwse tekst zegt. En dat is natuurlijk bezwaarlijk in de ogen van Unitariërs en zij hanteren dan ook de meest vreemde vertalingen. Zo zien wij bij de joodse Complete Jewish Bible vertaling op de website van Chabad.org niet de vertaling waarin Jacob met God gestreden heeft, maar lezen we dat Jacob slechts “commanding power with [an angel of] God” heeft. Ook staat er dat Jacob niet God van aangezicht tot aangezicht gezien heeft, maar dat hij slechts “an angel face to face” gezien heeft. Dat doet natuurlijk geen recht aan wat de tekst zegt en is slechts een interpretatie die erop losgelaten wordt in een poging de tekst niet te laten zeggen wat het werkelijk zegt.

Daarnaast zijn er enkele bezwaren die er worden tegengeworpen door Unitariërs. Het eerste is dat de uitdrukking “panim el-panim” (van aangezicht tot aangezicht) 6 keer in de Bijbel voorkomt. We zien het in Gen. 32:30, Ex. 33:11, Deut. 5:4, 34:10, Richt. 6:22 en Eze. 20:35. In Deut 5:4 betekent het bijvoorbeeld niet dat Israël God van aangezicht tot aangezicht gezien heeft en dus dienen wij dit ook niet zo te verstaan wanneer wij dat lezen in Gen 32:30. Echter, overal waar het voorkomt is het in de context van een ontmoeting met God en heeft het de betekenis dat God direct tot iemand spreekt, dus niet in visioenen. Daarnaast maakt de context van Genesis 32 duidelijk dat Jacob iemand ontmoette van wie hij zegt dat het God is en ook nog de plaats van die ontmoeting “Pni-el” noemt, wat “God’s aangezicht” betekent, wat weer spreekt voor een ware ontmoeting tussen Jacob en God. Tot slot zijn de laatste woorden van Jacob heel veelzeggend. Waarom zegt hij “en mijn leven is gered”? De woorden “watinatzel naf’shi” betekenen letterlijk “en mijn ziel is gespaard”. Waarom zou Jacob, wanneer hij slechts een engel zou hebben gezien, vrezen voor zijn leven? Daar is, Bijbels gezien, helemaal geen enkele reden toe tenzij dit volgens Jacob natuurlijk niet zomaar een engel was. Men vreest in de Bijbel alleen voor het leven bij het zien van de God van Israël, niet bij het zien van een engel of een profeet of een afgod. Jacob erkent dus met die woorden dat hij zou moeten sterven omdat hij God gezien heeft, maar dat hij gespaard is. Tot slot, Bijbelse figuren geven plaatsen alleen een nieuwe naam wanneer zij een ontmoeting met God hebben, niet met een engel of een profeet of wie dan ook.

Een ander bezwaar is dat deze gebeurtenis ook door de profeet Hosea wordt naverteld. En Hosea zegt in vers 5 van hoofdstuk 12: Hij streed met de Engel en overwon. Hiermee denkt men te hebben aangetoond dat Jacob niet met God zelf gestreden heeft. Het probleem is dat zij vers 4 overslaan. In context zegt Hosea namelijk: “In zijn kracht streed hij met God. Hij streed met de Engel en overwon”. Het Hebreeuws woord mal’ach, dat wordt vertaald met engel, betekent gewoon zendeling, een gezondene. Zo worden bijvoorbeeld de mannen die door Jacob vooruit worden gestuurd om Esau tegemoet te komen in Genesis 32:4 mal’achim, dus boodschappers/gezondenen, genoemd. Niemand zal volhouden dat zij engelen (hemelse wezens) waren. Een van de laatste profeten in Israël heette Mal’achi, wat “mijn boodschapper” betekent. Het woord mal’ach op zichzelf zegt dus niets over de aard van de gezondene. Het kan een mens zijn, het kan ook een hemels wezen zijn van iedere rang of status. Het woord zegt dus niets over de wezenlijke eigenschappen van de mal’ach zelf. Hosea haalt niet onderuit wat er in Genesis 32 staat, maar bevestigt juist onze lezing: de Mal’ach is niet zomaar een Mal’ach, hij is ook de God van Israël. Dat zal nu inmiddels wel duidelijk moeten zijn en dat zal nog duidelijker worden wanneer wij de volgende teksten zullen doornemen.

Een derde bezwaar is dat Jacob zich vergist heeft. Inderdaad, deze tekst zit Unitariërs zo dwars dat ze hier nog weleens belanden. Tijdens een discussie met een orthodoxe Jood, waarin hij mij beschuldigde van “avoda zara” oftewel afgoderij, nam ik deze tekst met hem door. Nadat hij bovenstaande pogingen had zien mislukken, beweerde hij doodgewoon dat Jacob zich vergist had. Het was niet de God van Israël, zei hij, het was een engel, want dat is wat de tekst zegt. Niet alleen is dit een duidelijke wanhoopspoging om onder de implicaties van deze tekst uit te komen (want er staat niet alleen dat het een Engel was, maar ook dat het God was waarmee Jacob streed), maar nergens blijkt uit de tekst dat Jacob zich vergiste. Sterker nog, als Jacob zich werkelijk vergiste en er wordt geen correctie gedaan in de tekst zelf of in de context ervan, zou de Bijbel Jacob afgoderij in de schoenen schuiven. Let wel, dit is een collectie boeken waarvan de auteurs zich met al hun macht verzetten tegen afgoderij en het ten strengste verbieden. Echter is er geen enkele correctie, geen enkele vermaning of hint dat Jacob zich zou hebben vergist en geen enkele aanwijzing dat er sprake zou zijn van een fout.

Maar buiten dat is er een hele belangrijke vraag die men dient te stellen bij dit soort gebeurtenissen: Hoe kan het dat de vaderen een mens zien en denken dat zij met hun God te maken hebben? Want als zij het concept van God erop nahielden, zoals de orthodoxie in het Jodendom dit belijdt, dan zouden zij moeten belijden dat het onmogelijk is dat God als mens kan verschijnen. En dan zou het idee dat zij met God te maken hebben wel het laatste zijn dat bij ze opkomt wanneer ze mensen tegenkomen. Het blijkt juist dat de vaderen daar helemaal geen moeite mee hadden en juist niet die verschrikking en weerzin tonen die de joodse orthodoxie uitschreeuwt bij de bewering dat God als mens op aarde aan ons verschenen is. Het lijkt er sterk op dat de theologie en het godsbeeld dat de joodse orthodoxie erop nahoudt fundamenteel verschilt van wat de centrale figuren uit de Thora uitdroegen.

Genesis 48

2Men vertelde Jakob: Zie, uw zoon Jozef komt naar u toe. Israël verzamelde toen zijn krachten en ging op het bed zitten. 3Daarna zei Jakob tegen Jozef: God, de Almachtige, is aan mij verschenen in Luz, in het land Kanaän, en Hij heeft mij gezegend…

11En Israël zei tegen Jozef: Ik had niet gedacht je gezicht ooit nog te zien, maar zie, God heeft mij zelfs je nageslacht laten zien. 12Toen liet Jozef hen bij Jakobs knieën weggaan, en hij boog zich met zijn gezicht ter aarde. 13Daarna nam Jozef hen beiden: Efraïm aan zijn rechterhand – voor Israël was dat links – en Manasse aan zijn linkerhand – voor Israël was dat rechts. Zo liet hij hen dichter bij hem komen. 14Maar Israël stak zijn rechterhand uit en legde die op het hoofd van Efraïm, hoewel deze de jongste was, en hij legde zijn linkerhand op het hoofd van Manasse. Hij kruiste zijn handen, hoewel Manasse de eerstgeborene was. 15En hij zegende Jozef en zei:

De God voor Wiens aangezicht mijn vaderen, Abraham en Izak, gewandeld hebben,

de God Die mij als herder geleid heeft, mijn leven lang tot op deze dag,

16 de Engel, Die mij verlost heeft van al het kwaad, zegene deze jongens,

zodat door hen mijn naam genoemd zal blijven, en de naam van mijn vaderen Abraham en Izak en zij in het midden van het land in menigte zullen toenemen.

Israël is aan het einde van zijn leven en geeft zijn zegen aan zijn nageslacht, de zonen van Jozef. Israël roept de twee zonen van Jozef bij zich en zoekt de zegen van de Almachtige God die hij dient. De zegen die hij hier uitspreekt is op zijn minst merkwaardig te noemen. Bij het aanroepen en verzoeken van een zegen van zijn God betrekt Israël de Engel, die hem verlost heeft van alle kwaad. Waarom betrekt Israël de Engel bij zijn verzoek om een zegen van de allerhoogste God? Wat het nog merkwaardiger maakt is de manier waarop hij dat doet. Wanneer Israël namelijk de God die hem leidde en de Engel die verloste vraagt om de zegen voor zijn nageslacht, zegt hij: “zegene deze jongens”. In de vertaling wordt het misschien niet meteen duidelijk, maar er staat niet “zij zegenen deze jongens” dus meervoud, maar “Hij zegene deze jongens”, in het enkelvoud. Er staat inderdaad niet “jivr’choe” (meervoud) maar er staat “j’varech” (enkelvoud).

Dus “de God… de Engel… hij zegene [enkelvoud] deze jongens”, staat geschreven waar je zou verwachten, juist omdat het om 2 verschillende personen gaat, dat de meervoudsvorm gebruikt zou worden. Vooral als je het over jouw God en “slechts” een engel hebt en niet de indruk wilt wekken dat jouw God alles behalve “echad” is, zoals Unitariërs het belijden. Maar dat is dus niet het geval.

Wat ook opvalt is dat Jacob in vers 3 zegt dat God, de Almachtige, aan hem verschenen is in Luz en hem daar gezegend heeft. Als wij dan naar Genesis 28:10-22 gaan, waar Israël naar refereert, zien we dat Israël daar YHWH in een droom bovenaan een ladder ziet staan en hem zegt dat hij de God van Abraham en Izaak is. Maar als we Genesis 31:11-13 bekijken, zien we dat het de Engel is geweest die bovenaan de ladder stond, waar Israël over spreekt. En Israël zegt dat het El Shadai, de Almachtige, was die aan hem verscheen. Deze Mal’ach YHWH wordt dus gelijk getrokken met YHWH, El Shadai zelf en als zodanig geïdentificeerd.

Exodus 3

1En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian. Hij dreef het kleinvee tot voorbij de woestijn, en hij kwam bij de berg van God, de Horeb. 2En de Engel van YHWH verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een doornstruik. Hij keek toe, en zie, de doornstruik brandde in het vuur, maar de doornstruik werd niet verteerd. 3Mozes zei: Laat ik nu naar dat indrukwekkende verschijnsel gaan kijken, waarom de doornstruik niet verbrandt. 4Toen YHWH zag dat hij ging kijken, riep God tot hem uit het midden van de doornstruik en zei: Mozes, Mozes! Hij zei: Zie, hier ben ik! 5 En Hij zei: Kom hier niet dichterbij. Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilige grond. 6Hij zei verder: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes bedekte zijn gezicht, want hij was bevreesd God aan te kijken…13En Mozes zei tegen God: Zie, wanneer ik bij de Israëlieten kom en tegen hen zeg: De God van uw vaderen heeft mij naar u toe gezonden, en zij mij zeggen: Wat is Zijn Naam? Wat moet ik dan tegen hen zeggen? 14En God zei tegen Mozes: ik ben die ik ben. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: ik ben heeft mij naar u toe gezonden. 15Toen zei God verder tegen Mozes: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: YHWH, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij naar u toe gezonden. Dit is voor eeuwig Mijn Naam, dit is Mijn Naam ter gedachtenis, van generatie op generatie. 16Ga, verzamel de oudsten van Israël en zeg tegen hen: YHWH, de God van uw vaderen, is aan mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob. Hij zei: Ik heb zeker naar u omgezien en naar wat u in Egypte wordt aangedaan.

Ook hier hebben we weer een tekst waar veel over gesproken is en die veel vraagtekens oproept. De Engel van YHWH verschijnt aan Mozes in een doornstruik en wordt in vers 4 als YHWH geïdentificeerd. Niet alleen wordt deze Engel als YHWH geïdentificeerd, maar waar hij verschijnt moeten blijkbaar de schoenen uit, want het is heilige grond. Is het mogelijk dat er in de Bijbel grond heilig wordt verklaard voor een gewone engel (hoe speciaal ook) terwijl dat nooit gedaan wordt bij verschijningen van YHWH zelf? Althans, dat zou toch de vraag zijn als deze Mal’ach (Engel) slechts een vertegenwoordiger van God zou zijn? En wanneer Mozes vraagt wat hij moet zeggen wanneer hij bij de Israëlieten komt en zij hem vragen wie hem gezonden heeft, zegt Hij dat Mozes moet zeggen dat YHWH de God van zijn vaderen Abraham, Izaak en Jacob aan hem verschenen is. Let wel: de God van Abraham, Izaak en Jacob is aan hem verschenen. Maar wie is het nou volgens de tekst in vers 2 die aan Mozes verscheen? Het was Mal’ach YHWH! Deze tekst heb ik aan meerdere soorten Unitariërs voorgelegd, van orthodoxe joden tot jehova’s getuigen en moslims. Geen van hen kon een adequaat antwoord ter tafel brengen dat recht doet aan de tekst. Men komt niet verder dan exegetische gymnastiek om maar niet tot de conclusie te hoeven komen waar de tekst ze toe dwingt als ze de tekst gewoon accepteren zoals het er staat.

De beste en meest gedenkwaardige reactie kwam van een bekeerling tot het orthodoxe jodendom. Deze persoon beweerde dat dit een voortschrijdende openbaring was. Eerst verscheen de engel om te verkennen en de weg vrij te maken voor God en daarna nam God de plaats van de engel over. Dit is natuurlijk een vergezochte poging om de tekst te verklaren. Vooral daar dit niet de eerste keer, noch de laatste keer zou zijn in de Tenach, dat men deze Engel ziet en van hem verklaart dat hij hun God is, waarvan zij vrezen voor hun leven, specifiek omdat zij hem gezien hebben.

Richteren 6

11Toen kwam de Engel van YHWH. Hij nam plaats onder de eik die bij Ofra is, die aan de Abiëzriet Joas toebehoorde. En zijn zoon Gideon klopte tarwe uit in de wijnpers om die voor de Midianieten te verbergen. 12Toen verscheen de Engel van YHWH aan hem en zei tegen hem: YHWH is met u, strijdbare held! 13Maar Gideon zei tegen Hem: Och, mijn heer, als YHWH met ons is, waarom is dit alles ons dan overkomen? En waar zijn al Zijn wonderen, waarover onze vaderen ons verteld hebben, toen zij zeiden: Heeft YHWH ons niet uit Egypte doen optrekken? Maar nu heeft YHWH ons verlaten en ons in de hand van Midian gegeven! 14Toen wendde YHWH Zich tot hem en zei: Ga in deze kracht van u, en u zult Israël uit de hand van Midian verlossen. Heb Ik u niet gezonden? 15Maar hij zei tegen Hem: Och, Adonai! Waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn geslacht is het armste in Manasse en ik ben de jongste in mijn familie. 16Maar YHWH zei tegen hem: Omdat Ik met u zal zijn, zult u Midian verslaan alsof het maar één man was. 17En hij zei tegen Hem: Als ik dan genade gevonden heb in Uw ogen, geef mij dan een teken dat U het bent Die met mij spreekt. 18Ga toch niet vanhier weg, totdat ik weer bij U kom en mijn geschenk naar buiten heb gebracht en U heb voorgezet. En Hij zei: Ík zal blijven tot u terugkomt. 19Gideon ging naar binnen en maakte een geitenbokje klaar, en ongezuurde broden van een efa meel. Het vlees legde hij in een mand en het kooknat deed hij in een pot. Vervolgens bracht hij het naar buiten, bij Hem onder de eik, en bood het aan. 20Maar de Engel van God zei tegen hem: Neem het vlees en de ongezuurde broden en leg ze op die rots en giet het kooknat eroverheen. En zo deed hij. 21Toen stak de Engel van YHWH het uiteinde van de staf uit, die in Zijn hand was, en raakte het vlees en de ongezuurde broden aan. Daarop steeg er vuur op uit de rots, dat het vlees en de ongezuurde broden verteerde. Toen was de Engel van YHWH uit zijn ogen verdwenen. 22Toen zag Gideon dat het de Engel van YHWH was. En Gideon zei: Ach, Adonai, YHWH! Daarom, omdat ik de Engel van YHWH heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, zal ik sterven! 23Maar YHWH zei tegen hem: Vrede zij met u! Wees niet bevreesd, u zult niet sterven.

Ook hier is er weer sprake van het vermengen van de Mal’ach YHWH en YHWH, iets dat bij niemand anders op deze manier voorkomt in de gehele Tenach. En ook hier heeft Gideon geen enkele moeite om deze Engel te behandelen alsof hij zijn God is: wetende dat dit de Engel van YHWH was, roept hij uit “omdat ik de Engel van YHWH gezien heb van aangezicht tot aangezicht zal ik sterven”. De vraag dient nogmaals gesteld te worden: Wie is het die men in de Bijbel vreest te aanschouwen omdat zij menen te sterven zodra zij Hem zouden zien? Wie, anders dan de God van Israël, wekt deze reactie op bij de godvrezende sleutelfiguren in de Bijbel? En waarom wordt hier zo sterk de indruk gewekt dat deze godvrezende voorvaderen van het Joodse volk er geen Unitarische theologie op nahielden, maar juist een theologie die beter aansluit op de samengestelde eenheid van God?

Richteren 13

1Maar de Israëlieten deden opnieuw wat slecht was in de ogen van YHWH. Daarom gaf YHWH hen over in de hand van de Filistijnen, veertig jaar lang. 2En er was een man uit Zora, uit het geslacht van de Danieten, en zijn naam was Manoach. Zijn vrouw was onvruchtbaar en had geen kinderen gebaard. 3Toen verscheen er de Engel van YHWH aan deze vrouw, en zei tegen haar: Zie toch, u bent onvruchtbaar en hebt geen kinderen gebaard. U zult echter zwanger worden en een zoon baren. 4Welnu dan, wees toch op uw hoede dat u geen wijn of sterke drank drinkt, en eet niets onreins. 5Want zie, u zult zwanger worden en een zoon baren. En er mag geen scheermes op zijn hoofd komen. Want het jongetje zal van de moederschoot af als nazireeër aan God gewijd zijn, en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen. 6Toen ging deze vrouw naar binnen en zei tegen haar man: Een Man Gods kwam bij mij en Zijn uiterlijk was als het uiterlijk van een Engel van God, heel ontzagwekkend. Ik vroeg Hem niet waar Hij vandaan kwam, en Hij heeft mij Zijn Naam niet verteld. 7Maar Hij zei tegen mij: Zie, u zult zwanger worden en een zoon baren. Welnu, drink geen wijn of sterke drank en eet niets onreins, want het jongetje zal van de moederschoot af tot op de dag van zijn dood als nazireeër aan God gewijd zijn. 8Daarop bad Manoach YHWH vurig en zei: Ach, Heere, laat de Man Gods Die U gezonden hebt, toch opnieuw naar ons toe komen om ons te leren wat wij met het jongetje dat geboren zal worden, moeten doen. 9En God verhoorde de stem van Manoach, en de Engel van God kwam opnieuw naar de vrouw toe, terwijl zij in het veld zat, en haar man Manoach niet bij haar was. 10Toen haastte de vrouw zich en snelde weg en vertelde het haar man. En zij zei tegen hem: Zie, de Man Die op die dag naar mij toe kwam, is mij verschenen. 11Toen stond Manoach op en ging zijn vrouw achterna. En hij kwam bij die Man en zei tegen Hem: Bent U de Man Die tot deze vrouw gesproken heeft? En Hij zei: Ik ben het. 12Toen zei Manoach: Welnu, laten Uw woorden uitkomen. Wat zal de leefwijze van het jongetje zijn, en wat zijn werk? 13En de Engel van YHWH zei tegen Manoach: Voor alles wat Ik de vrouw gezegd heb, moet zij op haar hoede zijn. 14Zij mag niets eten wat van de wijnstok afkomstig is. Wijn en sterkedrank mag zij niet drinken en evenmin mag zij ook maar iets onreins eten. Alles wat Ik haar geboden heb, moet zij in acht nemen. 15Toen zei Manoach tegen de Engel van YHWH: Laat ons U toch hier doen blijven en een geitenbokje voor U bereiden. 16Maar de Engel van YHWH zei tegen Manoach: Ook al doet u Mij hier blijven, Ik zal van uw brood niet eten. En als u een brandoffer wilt brengen, moet u dat aan YHWH offeren. Manoach wist namelijk niet dat het een Engel van YHWH was. 17En Manoach zei tegen de Engel van YHWH: Wat is Uw Naam? Dan kunnen wij U eren, wanneer Uw woord uitkomt. 18Maar de Engel van YHWH zei tegen hem: Waarom vraagt u zo naar Mijn Naam? Die is immers wonderlijk! 19Daarop nam Manoach een geitenbokje en het graanoffer, en offerde dit op de rots aan YHWH. En terwijl Manoach en zijn vrouw toekeken, deed de Engel iets wonderlijks. 20Het gebeurde namelijk, toen de vlam vanaf het altaar naar de hemel opsteeg, dat de Engel van YHWH opsteeg in de vlam van het altaar. Toen Manoach en zijn vrouw dat zagen, wierpen zij zich met hun gezicht ter aarde. 21En de Engel van YHWH verscheen niet meer aan Manoach en aan zijn vrouw. Toen begreep Manoach dat het de Engel van YHWH was geweest. 22En Manoach zei tegen zijn vrouw: Wij zullen zeker sterven, want wij hebben God gezien. 23Maar zijn vrouw zei tegen hem: Als het YHWH behaagd had ons te doden, had Hij het brandoffer en graanoffer van onze hand niet aangenomen en ons evenmin dit alles laten zien en ons nu ook niet iets als dit laten horen.

Een van de meest tot de verbeelding sprekende teksten uit de Bijbel die de unitarische theologie geweld aandoet is Richteren 13. Temeer omdat in deze tekst, in tegenstelling tot de andere teksten, de Engel van YHWH hier continu als zodanig wordt beschreven, daar waar Unitariërs zich vaak bij de andere teksten beroepen op het feit dat de Engel van YHWH wordt afgewisseld met YHWH in de beschrijving en zo kunnen volhouden dat men zich richt tot YHWH en niet tot de Engel.

Manoach en zijn vrouw ontmoeten de “man Gods” die hen de belofte doet dat zij een zoon zullen krijgen. Manoach wil God eren door hem een offer te brengen. Wanneer hij dat doet, gebeurt er een wonder waardoor de Engel van YHWH in de vlam opsteeg van het altaar. Wat de tekst dan zegt, zou de nodige wenkbrauwen moeten doen opheffen. Tot volle besef gekomen dat het de Engel van YHWH is waarmee hij al die tijd te maken gehad heeft, zegt Manoach dat zij “de dood zullen sterven, want God hebben wij gezien”. Dit is de letterlijke vertaling van de tekst “מוֹת נָמוּת:  כִּי אֱלֹהִים, רָאִינוּ” (mot namoet ki Elohim ra’inoe). Hoe kan Manoach, die zogenaamd niet gelooft dat God zich als een mens aan ons kan openbaren en dus zou moeten denken dat dit hooguit een (hemelse) vertegenwoordiger van God kon zijn, deze (volgens Unitariërs) ondenkbare woorden uitspreken wanneer hij slechts een vertegenwoordiger gezien heeft? Om tot de conclusie te komen die we in Richteren 13 zien, moet Manoach een paar dingen geloven over het Wezen van zijn God:

  1. Hij moet geloven dat God zelf zich als mens kan openbaren aan ons
  2. Hij moet geloven dat God complex is in zijn eenheid en kan hierdoor met geen mogelijkheid een Unitariër zijn.
  3. Hij moet geloven dat Mal’ach YHWH de God van Israël is, want alleen het zien van de God van Israël doet mensen in de Bijbel vrezen voor hun leven

Tegelijkertijd zijn dit standpunten die geen enkele orthodoxe Jood, Moslim, Jehova’s getuige of welke Unitariër dan ook zou kunnen onderschrijven: dat diegene een mens ziet, BESEFT dat het Mal’ach YHWH is én concludeert dat hij God zag en dan vreest te sterven doordat hij Hem heeft gezien. Dat is voor hen volledig ondenkbaar. Echter, de auteurs van de Bijbelse boeken hebben daar geen enkele moeite mee en lijken het zelfs aan te dikken. De enige conclusie die hier mijns inziens getrokken kan worden, is dat Unitarisme is uitgesloten vanwege deze getuigenis van de vaderen en profeten. Een Trinitariër kan de Tenach lezen in het licht van zijn kennis van de complexiteit van Gods Wezen en zal hier geen enkele moeite mee hebben. Een Unitariër daarentegen, die de absolute eenheid van God aanhangt, kan deze passages niet lezen en concluderen dat God een absolute eenheid is, één in Wezen en één Persoon, zonder zich te beroepen op de wet der vertegenwoordiging – de zogeheten “law of agency”, hetgeen een onmogelijke verklaring voor deze passages vormt óf zonder zich in exegetische capriolen te wringen. De wet der vertegenwoordiging werkt alleen bij het overdragen van autoriteit, niet bij verschijningen. Met andere woorden: je kunt Mozes gehoorzamen als God, omdat hij middels zijn boodschap Gods autoriteit draagt, maar het is jou niet toegestaan Mozes te behandelen als God of te beweren dat je God gezien hebt als je in werkelijkheid alleen Mozes zag. Ook mag je hem niet aanbidden of hem Gods persoonlijke en heilige naam toekennen. En het zijn juist de verschijningen van Mal’ach YHWH die deze wet van vertegenwoordiging om zeep helpen.

Met de hierboven genoemde teksten zouden nog meer schriftgedeelten kunnen worden voorgedragen om het trinitarische concept kracht bij te zetten: Genesis 22, Exodus 24, Psalm 45, Psalm 110, Richteren 2, Jesaja 9, Jesaja 48, Zacharia 3, Zacharia 12, Daniel 7, Maleachi 3, zijn allemaal teksten die aantonen dat de God van Abraham, Izaak en Jacob complex in Zijn eenheid is en geen absolute eenheid waarbij men te maken heeft met één Wezen en één Persoon.

In het volgende deel richten we ons op het Nieuwe Testament en zullen we zien hoe dit allemaal betrekking heeft op de Heer Jezus.