Paulus vs Muhammad (Deel V)

Houding naar de medemens

 

De eerste pleiter in een rechtszaak schijnt gelijk te hebben, maar de woorden 
van de wederpartij werpen pas volledig licht op de zaak. (Spreuken 18:17)

Dit is het vijfde en laatste deel van onze serie reacties aangaande een artikel op de website van answering-christianity.nl waar er een vergelijking tussen de apostel Paulus en de “profeet” Muhammad uit de weg wordt gegaan onder valse voorwendselen. Wij trachten deze vergelijking toch te maken en hebben in delen I t/m IV vergelijkingen gemaakt tussen de apostel Paulus en de islamitische profeet Muhammad. We hebben daarbij tot nu toe gekeken naar hun roeping, hun lering en geestelijke gesteldheid en hun integriteit en eerlijkheid. Dit keer gaan we kijken hoe zij hun medemens behandelden en hun volgelingen leren met hun medemens om te gaan.

Paulus leerde, geheel in lijn met de boodschap van naastenliefde van Jezus, aan de gemeenten Gods om elkaar lief te hebben en nederig te zijn naar elkaar als gelovigen onderling. Dit loopt als een rode draad door de brieven van Paulus. De instructies tot maatschappelijke omgang is het beste samengevat in de volgende instructies die Paulus geeft aan de gemeente in Rome:

Laat uw liefde geen schijnvertoning zijn. Keer u af van het slechte en houd u vast aan het goede. Houd veel van elkaar, als broeders en zusters, en laat elkaar uw waardering blijken… Help de gelovigen die tegenslag hebben en doe altijd uw best om gastvrij te zijn. Wens de mensen die u vervolgen alle goeds toe. U moet hun niets kwaads toewensen… U moet één van hart en ziel zijn. Wees niet hoogmoedig, maar doe uw best nederig te zijn. Doe niet of u de wijsheid in pacht hebt. Als iemand u kwaad doet, zet het hem dan niet betaald. Doe liever iets goeds voor alle mensen. Probeer, voor zover het van u afhangt, met iedereen in vrede te leven. Neem nooit wraak, vrienden! Laat dat maar aan God over, want Hij heeft gezegd: ‘Mij komt de wraak toe, Ik bepaal de straf voor alle zonden.’ Maar u moet doen zoals het in Spreuken staat: ‘Als uw vijand honger heeft, geef hem te eten. En als hij dorst heeft, geef hem te drinken. Zo stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd.’ Dan zal hij misschien een andere houding aannemen. Laat het kwade u niet overwinnen, maar overwin het door het goede te doen. (Romeinen 12:9)

En dit was ook zijn houding naar anderen toe zoals hij dat aangeeft in zijn brief aan de gemeente in Korinthe:

Soms denk ik wel eens dat God ons, apostelen, de laagste plaats heeft toegewezen, als gevangenen die de dood in de armen lopen. Want in de arena van de wereld zijn wij een schouwspel geworden voor engelen en mensen. Wat een tegenstelling tussen u en ons! Wij zijn dwaas ter wille van Christus, maar u bent verstandige gelovigen. Wij zijn zwak, maar u bent sterk. U staat hoog in aanzien, maar wij worden veracht. Tot op dit moment lijden wij honger en dorst, wij hebben nauwelijks kleding en worden mishandeld. Wij hebben nergens een thuis en doen zwaar werk met onze handen. De mensen die ons uitschelden, wensen wij het beste toe, vervolging verdragen wij geduldig, wij blijven vriendelijk als over ons wordt geroddeld. Wij zijn het afval van de wereld geworden, het uitschot. En daar lijkt geen verandering in te komen. Mijn beste vrienden, ik schrijf dit niet om u een gevoel van schaamte te geven, maar om u terecht te wijzen… Daarom smeek ik u: volg mijn voorbeeld.  Daarom heb ik ook Timotheüs naar u toegestuurd. Hij is voor mij als een eigen kind, een trouw dienaar van de Here. Hij zal u eraan herinneren hoe ik voor Jezus Christus leef en welk onderwijs ik in elke gemeente geef. (1 Korintiërs 4:9-17)

De apostel Paulus was dus iemand die leefde wat hij predikte. Voor zover het aan hem lag leefde hij met een ieder in vrede, zonder daarvoor de waarheid van het Evangelie aan te tasten. Iemand die niets wil (van de wereld) hoeft immers ook geen eed af te sluiten die hij daarna moet intrekken, zoals we in deel IV hebben gezien bij Muhammad.

Moslims halen echter vaak de confrontatie aan die Paulus met Petrus had in Antiochie, waar Paulus Petrus terechtwees om zijn gedrag. Hierover lezen we in Galaten 2:6-14:

De voornaamste leiders van de christenen hadden niets toe te voegen aan de boodschap die ik breng. Het interesseert mij niet wat voor positie die mannen vroeger hadden. Voor God maakt dat geen verschil. Zij zagen in dat het mijn opdracht was het goede nieuws onder de andere volken bekend te maken, zoals het de opdracht van Petrus was het aan de Joden te brengen. God zette Petrus in als apostel voor de Joden en mij als apostel voor de volken die God nog niet kenden. Het was Jakobus, Petrus en Johannes, de belangrijkste mensen in de gemeente, wel duidelijk dat God mij dit werk had gegeven. Zij beschouwden Barnabas en mij als hun broeders en waren het met ons eens: wij zouden naar de andere volken gaan en zij naar de Joden. Het enige wat zij ons op het hart drukten, was de arme christenen in Jeruzalem niet te vergeten. Ik ben me dan ook altijd voor hen blijven inspannen. Maar later, toen Petrus in Antiochië was, heb ik me openlijk tegen hem verzet. Want wat hij deed, was niet goed. Eerst had hij namelijk samen met niet-Joodse christenen gegeten, maar toen er enkele Joden uit de groep van Jakobus kwamen, deed hij dat niet meer en at voortaan apart. Hij was bang dat die mannen, die de besnijdenis zo belangrijk vonden, kritiek op hem zouden hebben. De andere Joodse christenen, en zelfs Barnabas, deden mee met hun huichelarij. Ik zag in dat dit in strijd was met het goede nieuws. Daarom zei ik tegen Petrus waar iedereen bij was: ‘Petrus, u bent een Jood van geboorte. Hoe kunt u van anderen eisen dat zij als Joden gaan leven, als u zelf niet volgens de Joodse wetten leeft?’

Hoe de toon was waarmee Paulus tegen Petrus sprak is niet duidelijk, maar één ding is zeker: afgaand van de achtergrond van dit verhaal was de terechtwijzing van Paulus aan het adres van Petrus geheel op zijn plaats. Paulus zag dat Petrus zich niet gedroeg naar de waarheid van het Evangelie dat hij moest brengen aan de heidenen die Jezus zelf had opgedragen. Er is verder geen spoor van vijandigheid tussen Petrus en Paulus te bekennen in het Nieuwe Testament. En naast het feit dat de terechtwijzing correct was, weten wij dat Petrus Paulus een “geliefde broeder” noemt in zijn tweede brief en dat de traditie in een vroeg stadium leert dat Paulus en Petrus samen in Rome het evangelie verkondigden. Paulus behandelde zijn broeders als broeders en niet-gelovigen als vrienden. Hij leed voor hen en achtte zichzelf geringer dan de anderen.

Als wij naar Muhammad kijken, zien we dat Muhammad een soortgelijke boodschap verkondigde onder de moslims. Broederliefde zat hoog in het vaandel van Muhammad.

Mu’ath bin Jabal reported that the Prophet-PBUH- said: Allah the Al-Mighty says: My love is a due right to those who like each other for My Sake, gather for My Sake, visit each other for My Sake, and give each other for My Sake. (Ahmad)

“You will not be a believer until you love for your brother what you love for yourself” (Sahih Al-Bukhari).

“Whoever relieves a calamity that has struck a believer in this world, Allah will relieve for him one of the calamities of the day of Judgement, and whoever makes things easy for a person in trouble, Allah will make his matters easy in this life and in the hereafter, and whoever shields the faults of a Muslim, Allah will shield his faults in this world and the hereafter, and Allah will help and support his servant as long as he is helping and supporting his brother” (Sahih Muslim)

En:

En houdt samen vast aan Allah’s band en splitst jullie niet op in groepen. Denkt aan Allah’s genade aan jullie toen jullie vijanden waren en Hij jullie harten tot elkaar bracht en jullie door Zijn genade broeders werden; (Soera 3:103)

Het was dus niet allemaal kommer en kwel. Saamhorigheid onder de moslims wordt hoog aangeschreven. Echter, het was niet allemaal rozegeur en manenschijn zoals moslims dat willen doen geloven wanneer zij de Islam willen promoten: de boodschap was namelijk geheel anders naar niet-moslims, zoals we lezen in Soera 48 vers 29:

Mohammed is de boodschapper van Allah. En zij, die met hem zijn, zijn hard tegen de ongelovigen en zachtmoedig onder elkander [..]

De meest populaire commentator binnen de Islam, Ibn Kathir, legt dit vers als volgt uit:

(Muhammad is de Boodschapper van Allah.) en zijn kwaliteit beslaat iedere prachtige omschrijving. Allah prijst de kompanen van de Boodschapper, moge Allah tevreden zijn over hen allen, (En zij, die met hem zijn, zijn hard tegen de ongelovigen, zachtmoedig onder elkander.) net zoals Hij (Allah) zei in een andere Ayah,

(Allah zal een volk brengen die Hij zal liefhebben en zij zullen Hem liefhebben; nederig naar de gelovigen, streng naar de ongelovigen.) (5:54) Dit is de beschrijving van de gelovigen; hard tegen de ongelovigen, vergevend en vriendelijk naar de gelovigen, boos zonder te lachen tegenover de ongelovigen, glimlachend en stralend van plezier tegenover zijn gelovige broeder. Allah de Verhevene zei in een andere Ayah,

(O jullie die geloven! Vecht tegen de ongelovigen die dichtbij zijn, en laten zij hardheid bij jullie aantreffen.)  (9:123) – (Nederlandse vertaling van de bron: www.qtafsir.com)

Niet alleen waren Muhammad en zijn kompanen hard tegen niet moslims, soms liet Muhammad zich ook gaan tegen zijn metgezellen. Geheel onterecht foeterde hij ze uit en vervloekte hen. In de hadith collectie Sahih Muslim lezen we hierover in een hoofdstuk dat heel toepasselijk genaamd is:

Hoofdstuk 23: Hij op wie Allah’s Apostel een vloek aanroept, terwijl hij deze in werkelijkheid niet verdiende, het zal voor hem een bron van beloning en genade zijn.

A’isha vertelde dat twee mensen Allah’s Boodschapper bezochten en beiden spraken over iets waar ik geen weet van heb, maar wat hem irriteerde en hij vervloekte hen en wierp verwensingen over hen uit, en toen ze vertrokken zei ik: ‘Allah’s Boodschapper, het goede zal iedereen bereiken maar het bereikte niet deze twee.’ Hij zei: ‘Hoezo niet?’ Ik zei: ‘Omdat jij hun vervloekt hebt en verwensingen over hen beiden hebt uitgeroepen.’ Hij zei: ‘Weet je dan niet dat ik voorwaarden met mijn Heer heb gemaakt, zijnde het volgende: ‘O Allah, ik ben slechts een mens, en dat voor een moslim waarover ik vervloekingen uitspreek, dit een bron van puurheid en genade mag zijn? (Sahih Muslim, Boek 32, Nummer 6285)

Deze overlevering werd verteld op de autoriteit van A’mash met dezelfde ketting van overleveraars en de overlevering is doorgegeven op de autoriteit van ‘Isa (de woorden zijn): “Hij had een privé ontmoeting met hen en wierp verwensingen over hen uit en vervloekte hen en stuurde hen weg.’ (Sahih Muslim, Boek 32, Nummer 6286)

Abu Huraira vertelde dat Allah’s Apostel zei: ‘O Allah, ik maak een convenant met U waar u nooit tegenin zult gaan. Ik ben een mens en daarom, laat een moslim die ik pijnig of die ik uitscheld of over wie ik een vloek aanroep of wie ik sla, hier in een bron aantreffen van zegeningen, purificatie en nabijheid tot U op de dag van de Opstanding.’ (Sahih Muslim, Boek 32, Nummer 6290)

(zie ook: Sahih Muslim, Boek 032, Nummer 6293)

Anas b. Malik vertelde dat er een weesmeisje was bij Umm Sulaim (de moeder van Anas). Allah’s Boodschapper zag het weesmeisje en zei: ‘O, jij bent het, jij bent jonger geworden. DAT JIJ NOOIT ZAL VORDEREN IN JAREN! Dat slaaf-meisje keerde huilend terug naar Umm Sulaim. Umm Sulaim zei: ‘O dochter, wat is er aan de hand met jou?’, ze zei: ‘Allah’s Apostel heeft een vloek over mij uitgeroepen dat ik nooit zal groeien in leeftijd en dus zal ik nooit groeien in leeftijd,’ of ze zei: ‘in mijn levenslengte.’ Umm Sulaim haastte zich om haar hoofd bekleding om te doen totdat ze Allah’s Boodschapper tegenkwam. Hij zei tegen haar: ‘Umm Sulaim, wat is er met jou?’, ze zei: ‘Allah’s Apostel, u heeft een vloek uitgeroepen over mijn weesmeisje.’ Hij zei: ‘Wat is dat?’, ze zei: ‘Zij (het weesmeisje) zegt dat u een vloek over haar uitriep zeggende dat ze niet moge groeien in leeftijd of in haar leven.’ Allah’s Boodschapper glimlachte en zei: ‘Umm Sulaim, weet je dan niet dat ik een afspraak met mijn Heer heb. En de afspraak is dat ik tegen Hem zei: “Ik ben een mens en ik ben daar tevreden mee en ik verlies mijn zelfbeheersing zoals een mens zijn zelfbeheersing verliest, dus voor een ieder vanuit mijn gemeenschap die ik vervloek terwijl deze het niet verdiende, laat dat, O Heer, tot een bron van purificatie en puurheid en nabijheid (tot Allah) zijn op de dag van de Opstanding.’ (Sahih Muslim, Book 032, Number 6297)

 

We zien hier dus dat Muhammad nogal heetgebakerd was tegenover zijn kompanen en de nodige moeite had zich te beheersen. Hij barste los van woede en vervloekte zijn eigen mensen en verklaart nogal pretentieus dat zijn opvliegers eigenlijk geen vloeken zijn maar door Allah zullen worden omgezet in zegeningen, wat nogal een opzichtige truc is waar we Muhammad wel vaker in zien vervallen wanneer hij zijn eigen gedrag wil goedpraten. Muhammad heeft een volkomen eenzijdige “deal” met Allah gesloten, alsof Allah verplicht is en geen andere keuze heeft dan zijn verzoek in te willigen en niet anders kan dan zijn opvliegende gedrag te compenseren door deze vloeken te converteren naar zegeningen. Hoe je dit ook wendt of keert: het is geen karaktertrekje van een ideaal rolmodel.

Sterker nog, dit soort gedrag is volgens Muhammad in een andere overlevering zelfs verwerpelijk en is een plek waardig in de hel:

Overgeleverd door Abu Bakrah dat de Boodschapper van Allah zei: ‘Bescheidenheid is onderdeel van het geloof en geloof zal in het Paradijs zijn. Obsceniteiten in de spraak zijn onderdeel van hardheid en hardheid zal in de Hel zijn.’ (Sunan Ibn Maja, 4184, geclassificeerd als Sahih)

Conclusie: We hebben Paulus en Muhammad onder de loep genomen en op basis van verschillende karakteristieke eigenschappen naast elkaar gezet. We hebben naar hun roeping gekeken, we hebben naar hun openbaringen en geestelijke gesteldheid gekeken, we hebben naar hun integriteit en eerlijkheid gekeken en als laatst hebben we naar hun houding richting de medemens gekeken. In alle gevallen komt Paulus veel beter uit de bus dan Muhammad. Waar Paulus zijn roeping vredig en miraculeus was, zijn openbaringen zuiver waren, zijn geestelijke gesteldheid vlekkeloos bleek, zijn integriteit buiten kijf stond en zijn houding naar de medemens (gelovige en ongelovige!) een schoolvoorbeeld was, ging dat bij Muhammad helemaal anders.

Muhammad zijn roeping was gewelddadig en hij ervoer het als een vreselijke gebeurtenis. Zijn openbaringen waren alles behalve zuiver, zijn geestelijke gesteldheid liet te wensen over en hij was naar eigen zeggen onder de invloed van Satan en bracht zelfs een boodschap van deze gevallen engel dat hij voor een Woord van Allah aanzag. Hierdoor misleidde hij ook nog zijn volgelingen. Aan zijn integriteit schortte er ook het één en ander en zijn houding naar de medemens is geen rolmodel waardig. Dit heeft allemaal niets te maken met (en staat volkomen los van) het feit dat iemand een staatsman is of niet. Dit heeft te maken met iemands karakter! En als we Paulus en Muhammad naast elkaar zetten, legt Muhammad het tegen Paulus af op alle vlakken. De vernietigende conclusie na vijf artikelen is dan ook dat Paulus een veel beter rolmodel voor de gelovige is dan Muhammad.

Gods Zegen voor een ieder die dit artikel leest. Met dank aan de Heer,

die alle dingen mogelijk maakt

In Jezus Naam

Deo Volente NL